Archief van
Auteur: Jan B. Kwant

The power of good-bye

The power of good-bye

 

Ik kom kreunend overeind en kijk eerst wat verbaasd rond. Wat doet mijn hoofd vreselijk zeer. Vooral mijn voorhoofd. Alsof ik vannacht tegen een muur ben gelopen.
Ik heb het gevoel alsof ik eruit zie als Lieutenant Worf van Star Trek. Heel langzaam dringt het tot mij door dat het 04:30 in de morgen is. De laatste keer dat ik op de klok keek was het net 03:00 uur geweest.
Ik besef me dat ik in slaap gevallen moet zijn met mijn hoofd op de houten eettafel. Ik was even gaan zitten omdat ik mijn ogen niet open kon houden. Op zich niet verwonderlijk rond die tijd.
Naar bed gaan of even ontspannen is niet meer een van mijn sterkste punten. Als ik ’s avonds niet gelijk met mijn vrouw naar bed ga dan wordt het over het algemeen later dan 03:00 uur. Vaak ga ik naar bed met als enige reden dat ik niet wil dat de kinderen mij ’s morgens tegenkomen terwijl ik nog niet naar bed ben geweest. Ook dit is zo’n nacht, en niet zo één die je in ‘fillems’ ziet.
Er is één groot verschil met andere nachten die ik lang wakker blijf. Ik ben deze nacht niet bezig geweest op mijn laptop of met andere hobby’s. Wat dat betreft verveel ik me nooit. Nee, deze nacht heb ik de rol opgepakt die nu aan mij is toebedeeld. Heel wat anders dan ik gewend was.
Van een baan waarin je het verschil kan maken tussen leven en dood of tussen het verliezen of behouden van persoonlijke eigendommen ben ik nu verantwoordelijk voor het op orde houden van ons huis. Huisman dus. Zonder alle huisvrouwen en huismannen tekort te doen, ik ben toch liever aan het werk. Ja, oké het huishouden is ook werk maar voor mij voelt het toch nog even anders. Het zal wel wennen zijn.
Van mijn werk bij de Veiligheidsregio Groningen heb ik tussen mijn oren al afscheid genomen. Ik en mijn collega’s hebben nog geen good-bye gezegd maar… nou ja, zoals het gaat.
Voordat ik rond 01:00 uur in de nacht begin met het gasstel schoon te maken zoals ik beloofd heb is er een belangrijke stap gezet. Mijn vrouw is er deze avond pas laat weer. Intussen ben ik bezig geweest met het invullen van de aanvraag voor een WIA uitkering. Ik wil het niet fout doen. De aanvraag voor een vervroegde beoordeling van mijn situatie kan één keer gedaan worden in de twee jaar die ik in de ziektewet zou mogen zitten.
Niet elke vraag is even duidelijk en dat maakt me soms onzeker. De vraag werkt u is zelfs met de toelichting op twee manieren uit te leggen. Nee, Ik werk niet, tenminste ik ben niet productief voor mijn baas. Aan de andere kant heb ik wel werk. Ik vul eerst maar ‘Ja’ in en ik kijk wat de daarop volgende vragen ben. Het lijkt me niet helemaal logisch en ik ga een paar stappen terug en vul uiteindelijk ‘Nee’ in.
De vervolgvragen lijken aan te geven dat ik dus niet werk. Maar op de vraag of ik een werkgever heb vul ik wel direct ‘Ja’in. Na twee uur heb ik het gevoel dat ik de aanvraag volledig en naar waarheid heb ingevuld. Als mijn vrouw ’s avonds laat thuis is controleert zij de complete aanvraag en heeft dezelfde twijfelachtige gedachten bij de vragen waar ik die ook had.
Uiteindelijk rond een uur of elf ’s avonds gaat de aanvraag per mail naar het UWV. De gevraagde bijlage moeten per post opgestuurd worden naar Amsterdam. Dat verbaast me dan weer. Waarom niet uploaden? Nu moeten we het hele dossier printen en voor de zekerheid aangetekend versturen in de hoop dat het bij de juiste persoon terechtkomt. Maar goed, voordat we überhaupt bij het aanvragen van een IVA uitkering zijn aangekomen is er heel wat aan vooraf gegaan.

“We zijn met wat meer mensen dan normaal, maar om te beginnen wil ik iedereen er op wijzen dat alles wat hier wordt gezegd vertrouwelijk is!”.
De bedrijfsarts benadrukt wat hij zegt door rustig de mensen tegenover hem aan te kijken om de bevestigende blikken of knikjes met het hoofd te kunnen zien. Iedereen begrijpt het.
Mijn vrouw en ik zitten voor de zoveelste keer in het vierkante kamertje van de bedrijfsarts. Het onderzoeksbed blijft ook deze keer ongebruikt. Een paar extra stoelen zijn wel nodig.

De eerste keer is bijna drie jaar geleden. Na de diagnose was het duidelijk dat ik niet langer kon functioneren als Officier van Dienst bij brandweer inzetten.
Dat was het begin van een leven zonder alarmontvanger die op elk moment kon afgaan als er in het grote gebied waar ik een keer in de zes weken  7 x 24 uur paraat stond. Ik werd alleen verwacht als de brandweer een inzet had waarbij meerdere brandweervoertuigen waren ingezet, waarbij gevaarlijke stoffen een rol speelden of waar slachtoffers bij betrokken waren.
Het is het kamertje waar ik af en toe mijn tranen heb achtergelaten als het allemaal te duidelijk werd. Altijd met dezelfde jonge arts die we al snel tutoyeren.
Nu zitten we er samen met mijn teamleidster, een afgevaardigde van P&O, een casemanager van hetzelfde bedrijf als waar de arts voor werkt en wij tweeën.
In de afgelopen jaren heb ik met vallen en opstaan geleerd dat het werken bij mij steeds minder gemakkelijk vanzelf gaat. Het accepteren van het feit dat betaalde arbeid niet meer voor mij is weggelegd is ook een stap verder. Het appje wat ik in mei verstuurde naar een collega waarin stond I’ll be back is ingehaald door de werkelijkheid.
Fysiek heb ik mijn klachtjes maar daar zul je me niet over horen klagen, tenzij het functioneel is.
Over hoe het in mijn hoofd gaat probeer ik wel helder en duidelijk te zijn.
Vrijwel iedereen in mijn omgeving kent de bekendste symptomen van Parkinson. En als je me dan niks vraagt lijkt er met mij niets aan de hand te zijn
Mijn grootste probleem zit tussen de oren. Letterlijk en figuurlijk. Het tekort aan dopamine veroorzaakt stevige concentratie problemen en het heel slecht kunnen scheiden van taken en opdrachten.

“Wat verwacht je van deze middag” vraag ik aan mijn vriendinnetje terwijl ze rijdt naar deze afspraak. “Dat er duidelijkheid komt” zegt ze. “Duidelijkheid voor jou, duidelijkheid voor mij en voor je collega’s.” Dat is hetzelfde antwoord dat ik gegeven heb enkele dagen daarvoor toen mijn teamleidster mij dezelfde vraag stelde. Ik hang nu een beetje tussen wal en schip. Werk ik nog wel of niet? Het is zo langzamerhand voor niemand meer duidelijk.

Omdat ik me besef dat dit een belangrijke en beslissende middag kan zijn willen we vandaag niet te laat komen.We zorgen ervoor dat we op tijd vertrekken en nemen voor de zekerheid een route waarmee we wegwerkzaamheden ontwijken. Dat hebben er vandaag meer gedacht. We komen op de ring in Groningen in de file.
Hoe is het mogelijk! Net nu! Ik word geïrriteerd en gestrest. Uiteindelijk besluit ik een appje te sturen dat we enkele minuten te laat zijn. Een slechte voorbereiding voor dit gesprek. Ik word wat rustiger als we in de brandweerkazerne in Groningen zijn en het blijkt dat er onduidelijkheid is over de ruimte waar we bijeen komen. Met andere woorden, ze zitten nog niet op ons te wachten, gelukkig.

“Het gaat redelijk goed met me” begin ik als antwoord op de vraag van de arts. Ik merk dat het te lage dopamine gehalte me parten speelt. Ik doe er lang over om de juiste woorden te kiezen. Het maakt me onzeker als ik merk dat ik er meer moeite voor moet doen om mijn zinnen te formuleren. Ik zoek soms naar woorden. Om dit te voorkomen heb ik juist mijn medicijnen ruim een uur eerder geslikt. Zolang er geen stress en druk is functioneer ik nog redelijk goed, maar zodra er iets van me verwacht wordt of als ik meerdere opdrachten in mijn hoofd heb dan gaat het mis. Pijn in de nek traag van gedachten, het lukt dan gewoon niet meer. Ik vermoed dat ik op de grens zit van de hoeveelheid medicatie waardoor ik nog redelijk kan functioneren. Ik zal er niet aan ontkomen om de dosis te verhogen om mijn dopaminespiegel hoger en stabieler te krijgen.
Nadat ik mijn verhaal heb gedaan, door niemand onderbroken, is het blijkbaar toch duidelijk genoeg zodat er geen vragen nodig zijn.
Dan komt mijn teamleidster aan het woord. Zij schetst de situatie, geeft aan wat we allemaal geprobeerd hebben en dat ik zelfs de mogelijkheid heb gekregen om ’s nachts te werken. Ik weet hoe ze meeleeft met mij en mijn gezin. In al die tijd dat ik contact met haar heb over het werk en mijn ziekte is ze altijd begripvol geweest. We hebben ook een band opgebouwd die meer is dan werkgever werknemer. Dat geluk moet je maar net hebben en dat moet je maar net kunnen zien. Als zij haar betoog afsluit met: “En nu weet ik het ook niet meer, we heb alles geprobeerd en volgens mij is het klaar nu” valt het even stil. De bedrijfsarts die de leiding in dit gesprek heeft neemt het woord over. En dan komt er een onverwachtse snelheid in het proces.

Hoewel ik nog geen jaar officieel in de ziektewet zit vindt hij het tijd om ermee te stoppen. Het is genoeg geweest. Er is genoeg geprobeerd en het is wel duidelijk. Het lukt niet meer en het wordt alleen nog maar slechter.

There’s nothing left to try
There’s no place left to hide
There’s no greater power than the power of good-bye.

Wij wilden duidelijkheid, dat geef ik ook aan als het gesprek wordt afgerond. Zoveel duidelijkheid had ik nu nog niet verwacht. Ik weet ook niet of ik er blij mee moet zijn. Wel omdat de last en druk van de verantwoordelijkheid van een betaalde baan van mijn schouders wordt genomen. Aan de andere kant geeft het ook aan dat het in de loop van de afgelopen 3 jaar minder is geworden. Ik ben geen wrak. Maar ik ben ook geen gezonde vijftiger, integendeel. De confrontatie is hard.

Nu de bedrijfsarts zo duidelijk zijn mening heeft gegeven volgen er nog een paar punten die nodig zouden kunnen zijn om ervoor te zorgen dat de UWV arts die uiteindelijk beslist hetzelfde beeld heeft als wij in deze ruimte.
Eén van deze opties is om het rapport van de bedrijfsarts te laat ondersteunen door een beoordeling van een onafhankelijk arbeidsdeskundige. Alleen als dit op korte termijn geregeld kan worden wordt het toegevoegd. Iedereen is het ermee eens dat dit niet zo lang moet duren dat het de aanvraag vertraagd. Enkele dagen later hebben we al mail. Er wordt er een afspraak gemaakt. De arbeidsdeskundige komt bij mij thuis langs. We worden van meerdere kanten gewaarschuwd. Niet elke arbeidsdeskundige schijnt even begripvol om te gaan met situaties zoals die van mij.
Niemand vertelt ons dat ook het andere uiterste mogelijk is.

De tranen staan me in de ogen. De mail met de conclusie van de arbeidsdeskundige is binnen. Vol verwondering, geraakt en trots lees ik de mail. Mijn vriendinnetje leest op haar telefoon gelijk mee. Hij heeft duidelijk het boek over mijn eerste jaar na de diagnose gelezen. Ik krijg niet een standaard mail met zijn conclusie maar een persoonlijke mail waarin hij refereert aan een verhaal uit mijn boek ‘Maar als het donker wordt’ (hoofdstuk 25, Adagio) en zijn waardering uitspreekt.

Echter ik heb ook deze conclusie mogen trekken. Dit vanuit de hoop dat Jan als “contrabas met gebroken snaar” juist in zijn eigen omgeving met zijn eigen tempo en bezigheden nog een periode echt tot zijn recht mag komen. Als daar een vriend of iemand die hij lief heeft met de juiste geste (gift, opmerking of wat dan ook) de contrabas in kan laten zetten, waarna de rest ook alsnog kan invallen en meegaan in het adagio en op termijn mogelijk largo. Terwijl het in het loonvormende werk steeds opnieuw presto zal moeten gaan. Dat kan niet meer, dat hoeft dan ook niet meer. In gezelschap tijdens werk steeds meer en steeds maar weer aanbotsen tegen interne blokkades doet de muziek verstommen. Dit terwijl er hopelijk nog zoveel gedaan, geschreven en zo gedeeld mag worden in “de schemering”.

De mail is geschreven met zoveel gevoel dat het mij raakt. En mij niet alleen. Twintig minuten later komt er weer een mail binnen. Mijn teamleidster, met een reactie op de mail van de arbeidsdeskundige. Weer word ik stil en ben ik dankbaar voor de mensen die op mijn pad zijn gekomen. Haar reactie op de mail is op de juiste toonhoogte en met het juiste volume.

Ik lees de mail en het rapport met een buiging maar ook een traan. Een traan omdat ik Jan (of wie dan ook) deze ziekte niet gun en het ook een bevestiging is dat het niet meer gaat of kan.
Een buiging over hoe jij het verwoord hebt in het ritme van en respect naar Jan zijn leven, zijn verhalen en dagboek. Dank daarvoor!

Het kost me een half uur om op beide mails te reageren. Ook Ik kies mijn bewoordingen nauwkeurig.

Met een grote glimlach van trots en een traan van ontroering lees ik jullie beide mailtjes.
Niet alleen jullie woorden raken me maar vooral jullie intentie.
Jullie beide gunnen me om de druk van het werk niet langer te hoeven dragen en te mogen genieten van wat er nog mogelijk is.
Ik ben eerlijk, ik moet nog steeds wennen aan de gedachte dat ik geen actieve rol meer zal spelen in het helpen van mensen op de momenten dat ze het onverwachts moeilijk hebben.

……..

@Arbeidsdeskundige, Je hebt het boek gelezen en ik bedank je voor de manier waarop je de mail hebt verwoord en zelfs verwijzingen in het officiële advies hebt gebruikt. Het doet me altijd goed als mensen die me verder niet kennen door het boek geraakt worden…..

@ Teamleidster, Nu we zo dicht bij het einde van dit proces zijn wil ik je nogmaals bedanken. …… Bedankt dat ik je vooral als mens mocht meemaken in onze gesprekken bij de VRG en niet als teamleider. … Ook de opmerking ‘ik wil niet dat je het gevoel hebt dat je vergeten wordt’ staan in mijn geheugen gegrift….

Van mijn kant een dankbare buiging voor jullie beide om de manier waarop jullie mij en Rieanne gesteund hebben vanuit jullie functie maar vooral als mens.

Ik vermoed dat deze mailwisseling vrij uniek zal zijn in de relatie van werkgever, arbeidsdeskundige en werknemer.
Wees er trots op dat je dit op deze manier doet en verwoord.

Ik eindig mijn mail met:

Nu nog een UWV arts met jullie instelling:-)

En dat gaan we één van deze dagen meemaken.
Wordt het een nieuw begin of eerst nog een extra jaar met tegen beperkingen en onmogelijkheden oplopen?
Ik? Ik geloof in een nieuw begin met 75%.

I yearn to say good-bye

Flying high, falling low

Flying high, falling low

 

Met een doos onder de arm loop ik het huis uit. Ik ben tevreden over de aankoop. Een dik half uur heen rijden en dezelfde tijd terug heb ik er wel voor over. Het rijden in de regen geeft een extra dimensie aan het ‘Ein Deutsches Requiem’ van Brahms dat op vol volume uit de boxen klinkt.
Dramatisch, maar zo mooi.

Het bezoek gaat anders dan ik had verwacht. Naar aanleiding van een marktplaats advertentie heb ik een afspraak in Gramsbergen. Meestal is het een kwestie van zakendoen en wegwezen. Dit keer loopt het anders.
Er wordt bij het mooie, maar niet overdreven huis, opengedaan door een man in een duidelijk met zorg uitgekozen overhemd.
Hij lijkt net terug van zijn werk.
Een keurige en op het eerste gezicht sympathieke man, die in elk geval zo succesvol is dat er twee luxe auto’s op de oprit staan, doet open. Ik stel me voor en verifieer of dit het adres is waar ik moet zijn.
“Je werkt bij de brandweer? “ wordt me bij binnenkomst gevraagd.
Zoals vaak weet ik niet of ik deze mensen zou moeten kennen. Ik antwoord dan ook zonder direct heel duidelijk antwoord te geven.
“Dat klopt, kennen we elkaar ergens van?
“Nee hoor, maar ik heb je naam gegoogeld en vond wat informatie over je. Als ik iets via marktplaats verkoop check ik als het even kan wie de koper is”, volgt direct de verklaring.

Terwijl ik het voor mij onverwachts mooie interieur in me op neem ontwikkeld zich een gesprek over ziek zijn, geloof en genezing. De verkoper blijkt bij hetzelfde kerkgenootschap te horen waar ik tot tien jaar geleden ook lid van was. De zwarte wanden en deuren in de woning zijn mooier dan ik ooit had kunnen bedenken. Het nuanceert ook de gevoelens die ik over heb gehouden aan dat kerkgenootschap, zwart is niet bij voorbaat lelijk en bovendien waren er ook veel tijden met andere kleuren.
De aangeboden koffie, uiteraard zwart sla ik in dit geval niet af. Zittend aan de bar van het keukeneiland gaat het gesprek verder. Het gaat vooral over mij al besef ik me dat pas op de terugweg.
De vragen zijn oprecht geïnteresseerd maar maken ook duidelijk dat er niet veel meer dan de inleiding van mijn website is gelezen, vluchtig.
Het feit dat ik momenteel in de ziektewet zit komt ook aan de orde en vooral dat ik weer wat uren aan het werk ga.
Na ongeveer twintig minuten voel ik dat er in dit huis andere plannen zijn dan de hele avond naar mij te luisteren. Logisch.
De zoon van een jaar of acht schuift aan en laat zien wat hij te verkopen heeft.
Vader regelt de verkoop maar ik reken af bij zijn zoon.
Als ik hoor dat hij van zijn ouders een nieuwer en duurder exemplaar krijgt omdat ‘hij er aan toe is’ vraag ik me af of het geld bij hem terecht hoort te komen maar hij neemt de vijfendertig euro dankbaar aan.
Als ik na wat uitleg de hal in loop en de voordeur open doe zie ik nog net de vrouw des huizes van de trap naar beneden komen. Het voelt alsof ze daar heeft gewacht tot de onbekende koper weer vertrekt.

Op de terugweg luister ik het requiem verder terwijl de regendruppels nog steeds door de ruitenwissers links en rechts op straat worden gesmeten.

Het is al enkele maanden geleden dat ik me heb ziek gemeld nadat ik door het ijs was gezakt.
Vanaf dat moment heb ik niet meer gewerkt, tenminste niet bij mijn werkgever. Verder ben ik elke dag actief. Mijn vrouw verzucht wel eens “man, blijf toch even zitten…” waarop ik ja zeg en vervolgens weer verder ga met datgene waarmee ik bezig was. Een van de weinige bijwerkingen of klachten waarvan ik tot nu toe zichtbaar last heb. Niks doen is er dus niet bij voor mij ook al zou ik het willen.
De intentie van mijn leidinggevende, de bedrijfsarts en mij is nog steeds dat ik weer ga werken.
Zoveel en zo lang mogelijk, eventueel aangepast.
Toch is er in mijn toekomstverwachting iets veranderd. Eigenlijk hoeft het van mij niet meer. Ik wil wel maar het gaat me gewoon moeilijker af. Bovendien zijn mijn prioriteiten anders geworden.
Werken staat daarbij niet meer in de top vijf. Ik ben overigens realistisch genoeg om te weten dat het niet zo werkt en probeer ook zolang mogelijk in het arbeidsproces mee te doen.

Thuis gekomen uit Gramsbergen laat ik de drone van enkele tientjes zien aan mijn vrouw.
Na een korte blik waarin ze oprecht probeert geïnteresseerd te lijken zegt ze: ‘Dus dat is hem, mooi hoor! ‘
Waarschijnlijk vindt ze het net zo mooi als ik sommige van haar aankopen waarvan ik het nut en de noodzaak niet zie.

Uiteraard wil ik direct proberen te vliegen.
Zo moeilijk kan dat niet zijn, toch?
Voor ik het door heb crasht de drone met een klap tegen het meubilair.
Hij is niet direct kapot maar elke daaropvolgende crash levert blijvende schade op.
Soms niet zichtbaar, zeker niet voor degene die hem maar één keer of af en toe ziet.
Maar na een week bestel ik de eerste reserve onderdelen.
Opstijgen en daarna weer landen lijkt zo eenvoudig…
Maar hoe hoger en sneller de vlucht des te harder is de crash.

Het geeft mijn gevoel over re-integreren duidelijk weer.
Weer snel en hoog vliegen nadat ik enkele maanden eerder gecrasht ben lijkt logisch en tot voor kort haalbaar in mijn gedachten.
Maar de werkelijkheid is anders, harder.
Weer op therapeutische basis aan het werk voelt als het opnieuw leren vliegen.
En dan niet in de F-16 die ik gewend was maar, in een op afstand bestuurbaar exemplaar.
De vraag is of ik dat nog wil en of ik door steeds tegen van alles aan te vliegen elke keer opnieuw beschadigd wil worden.
Gelukkig heb ik mijn altijd nuchtere vriendinnetje die me voorhoudt dat ik het altijd leuk vond, dat ik het vast nog kan en dat het gewoon even wennen is.
Geen moed en geen zin hebben in het werk is niet alleen voorbehouden aan Parkinson patiënten.
Duidelijk wordt in de uren dat ik weer aanwezig ben dat terugkomen in mijn oude functie niet haalbaar is.
De bedrijfsarts krijgt gewoon gelijk met zijn conclusies waar ik toen niet in wilde geloven.
‘Ik voorzie blijvende beperkingen… terugkeer in de huidige functie niet haalbaar… opdrachten zonder deadlines in een prikkelarme omgeving….’
Toch zijn er ook van die momenten dat ik denk:”Zie je wel, ik kan het echt nog wel!” Dat is dan weer even genieten.

Van mijn gekochte drone heb ik de afstandsbediening in handen en kan ik bepalen hoe lang er nog gevlogen wordt en vooral hoe hoog en snel dit moet.
Voor mijn werk geldt dat ik zo wil vliegen dat ik, zonder al te vaak neer te storten, zo lang mogelijk in de lucht kan blijven.
Ik zit alleen niet als enige achter de joysticks. Toch heb ik vertrouwen in degene die samen met mij bepalen hoe, hoelang en tot wanneer er gevlogen wordt. Nadeel is dat de accu steeds sneller leeg is.

Net zoals sommige anderen om mij heen ben ik af en toe schijtziek van die k.. Parkinson vooral als de klachten eens wat erger zijn. Daarom heb ik voor mezelf ook reserve onderdelen besteld.

Voor degene die zich zorgen maken na dit verhaal… “Echt, het gaat goed met me! Echt!”
Het gaat in elk geval beter met mij dan met mijn drones.
De eerste heeft de ‘hersenoperatie’ van dokter Bernard al ondergaan nadat ik hem zo hardhandig uit de lucht heb laten komen dat hij stil bleef liggen.
Nog wel beeld (een paar knipperende led lampjes) maar geen geluid, helemaal stil. Dat zijn ook bij mij de vervelende momenten; als het niet meer gaat en het stil wordt.
Een slechte dag, dan niet kunnen slapen en tot vijf uur ‘s ochtends beneden zitten.

Een vriendin beschreef het erg mooi als volgt: ‘Onze angsten voor het onbekende komen meestal op momenten, dat het stil is om ons heen waardoor ons eigen geraas in ons hoofd en hart zo duidelijk hoorbaar wordt.

Maar zolang ik nog met plezier een drone kan laten vliegen én laten neerstorten gaat het goed genoeg met mij, ECHT!

En voor wat betreft de voor mij bestelde reserveonderdelen…

Die levertijd is helaas nog onduidelijk.

Lente ijs

Lente ijs

Ik huiver, een rilling trekt over mijn hele lichaam. Het is februari en winterkoud. Het is niet alleen de kou die me het kippenvel bezorgd. Vannacht heeft het weer stevig gevroren, de hele winter kwakkelt het al wat. Echt doorzetten wil het dit jaar niet, af en toe eens een beetje nachtvorst en wat natte sneeuw.
Dat is alles tot nu toe.
Ook vanmorgen is de wereld bedekt met een wit laagje stof en hangen er een glasachtig druppels in de bomen. Ondanks de matige winter heb ik het al koud genoeg gehad, vooral ’s morgens op de fiets. Meestal om een uur of zeven met handschoenen en sjaal en uiteraard een dikke winterjas aan. Het vervelende is dat je dan beschermd bent tegen de kou maar tijdens het fietsen het zweet op de rug hebt staan.
Toch ben ik elke morgen op tijd.

We zijn al twee uur bezig geweest en ondanks onze leeftijd kunnen we het niet laten. We hebben even tijd over, trekken onze jassen aan en gaan naar buiten. Er is een klein slootje in de buurt waar net voldoende ijs op ligt. De sloot is ongeveer een meter diep als je er in zou kunnen staan.IJs door de vorst van de afgelopen nachten voorkomt dat we de diepte kunnen controleren. De breedte van de sloot is zo groot dat niemand er zo overheen zou kunnen springen, twee stappen op het ijs îs minimaal nodig wil je naar de overkant.
En dan begint het grote uitdagen, wie heeft het meeste lef en wie uiteindelijk het meeste verstand. Wie wil zich tegen zijn gevoel in toch bewijzen tegenover de groep vrienden?
Het feit dat er wat vrouwelijk schoon toekijkt laat de hormonen het verstand soms doen oplossen als een ijsklontje in heet water. Ik ben niet zo’n branieschopper die direct als eerste wil maar ook niet zo verlegen om te wachten tot de laatste is geweest. Ik kijk welke risico’s ik loop en bepaal dan redelijk snel wat mijn kansen zijn om zonder kleerscheuren dit te overleven.
Tegen de tijd dat ik een aanloop neem om zo snel mogelijk over het ijs naar de overkant te komen zijn de eerste barsten al zichtbaar. De opmerking dat krakend ijs niet onveilig is geeft me niet veel meer vertrouwen. Zelf maak ik ook allerlei, vaak niet de meest intelligente, opmerkingen om de anderen te doordringen van het feit dat je er niet zomaar doorzakt.
Wel breng ik het erg overtuigend, dat heb ik in mijn leven alleen maar beter ontwikkeld. Soms ben ik zo overtuigend dat men het eigenwijs noemt, mijn reactie daarop is meestal dat het niet eigenwijs is maar dat ik gewoon meestal gelijk heb. Dat vinden ze dan weer arrogant. Zo vinden mensen altijd wat van je, en als je er niet bij bent meestal iets nog meer dan als in je nabijheid.
De eerste voet die het te dunne ijs raakt maakt alsof ik vleugels krijg. De ijsvloer zakt onder mij door en ik zie aan de randen van het ijs, direct aan de walkant, het water omhoog komen. Door mijn gewicht dat het ijs laat doorzakken kan het vloeibare water nergens anders heen. Elke keer als er weer iemand is geweest blijft er meer water op op het ijs staan wat de overtocht nog hachelijker maakt. Een luid gejuich stijgt op als de eerste scheuren zo ver zijn uitgebreid dat ijsvloer breekt in een aantal schotsen. Het maakt de onbezonnen acties nog riskanter.
Bij mijn beurt is het vrijwel onmogelijk om te voorkomen dat je er natte voeten aan overhoudt.
Nog een keer, neem ik mezelf voor. Met een forse aanloop stap ik op de grootste ijsschots die ik vooraf heb uitgekozen. Op het moment dat ik er op sta en me weer afzet voel ik me iets wegzakken en daardoor lukt het me niet om met voldoende kracht op de tweede geplande schots te landen.
In een splitsecond kies ik een andere stuk ijs uit dat wat dichter bij drijft. Dat gaat nog goed maar de afstand naar de overkant is net te groot. Met mijn linkervoet zak ik aan de rand van de sloot door het ijs. Nat tot halverwege mijn kuiten.
Achter mij hoor ik een het gekraak van ijs en het schuiven van schotsen als een van mijn klasgenoten niet verder dan de helft van de sloot komt. Het is inderdaad een meter diep.
Ik hoor een bel en besef me dat het uur om is en dat ik de rest van de dag met minstens een natte voet zal rondlopen. Eerst maar zoveel mogelijk water uit de schoen en de sok uitwringen. Verder zien we dan wel, even rustig aan en zorgen dat de spullen weer droog worden dan kan ik wel weer verder. Mijn klasgenoot heeft geen keus en is langer afwezig omdat hij naar huis moet om zich om te kleden.

Aan deze gebeurtenissen uit mijn middelbare schooltijd aan het Vondelpad in Groningen moest ik denken toen ik me enkele weken geleden ziek moest melden. Mijn dosis Levodopa moest omhoog omdat ik niet langer zo kon functioneren als ik wil. De vrijdag voor mijn verjaardag, op zondag, neem ik de eerste extra pil. Het hele weekend loop ik als gevolg van de verhoogde dosis met een vervelende tic in het gezicht. Het is dat mijn dochter ook haar elfde verjaardag viert op mijn geboortedag, anders zou ik alles af hebben gezegd. Ondanks de bijwerkingen waarvan ik hoop dat die langzamerhand zullen wegtrekken na het weekend weten we er toch feestelijk dagen van te maken.

Zondagnacht is weer zo een zonder slaap. Wandelen in het donker is me door zoveel mensen afgeraden dat ik gewoon de houtkachel weer aan steek. Mijn vrouw is daar overigens wat nuchterder in. ‘Zolang je de deur maar op slot draait als je weggaat!” was haar reactie.

Uren zit ik te staren in de steeds veranderende vlammen. De beroepsdeformatie laat me pyrolyse, de verschillende kleuren van de vlammen en de rook en het ontbranden van de rookgassen zien. Ik open nog net niet de kachel volgens de deurprocedure om de eerste straal in te zetten zodat ik de rookgassen kan koelen.
Wel of niet, toegeven of doorzetten, verstandig of dom, kletspoot of wachten tot ik er in het midden doorzak. Tegen half vijf in de ochtend heb ik mijn besluit genomen. Ik blijf voorlopig thuis, ik trek het niet meer op het werk en kan me nu terugtrekken met een natte schoen en sok. De druk wordt me te groot en dan moet je niet meer op het ijs komen. Maandagochtend meld ik me tegen de tijd dat ik weer wakker ben voor de komende week ziek. En die zondag daarna op advies van mijn vrouw en vrienden nog een week.

Dan zijn er veertien dagen om en is er weer een slapeloze nacht voor de werkweek begint.
Ik kan kiezen, of ik probeer nog een keer aan de andere wal te komen of ik blijf aan deze kant staan. Ik loop al een poosje op schotsen en heb al hulp gevraagd. Mijn concentratie is onvoldoende voor mijn werk. Ook al is het lente, als ik doorga zak ik volledig door het ijs en ben ik nog veel langer afwezig.

De confrontatie is overweldigend maar ik meld me voor langere tijd ziek. Direct vraag ik mijn teamleidster om een bezoek bij de Arbo arts te regelen.

Nadat ik mijn verhaal heb verteld is de vraag van de arts: “Wat zou je nu willen?” Mijn antwoord bestaat uit twee delen maak ik hem vooraf duidelijk. “Het eerste deel van mijn antwoord is wat ik nu voel en daarna zal ik antwoorden met mijn verstand”.
Tranen prikken me achter de ogen als ik duidelijk wil maken wat ik het liefste zou willen.
Ik wil niet in huilen uitbarsten maar het lukt me ook niet meer om te zeggen wat ik wil.
Troostend voel ik de hand op mijn knie zoals zo vaak bij doktoren als het lastig wordt.
Mijn vriendinnetje zit naast me!
Als ik de moed vind om uit te spreken waarvan ik nooit had gedacht dat dit nu al zou komen lopen de tranen me toch over de wangen. “Voor mijn gevoel heb ik het liefst dat ik wordt afgekeurd en niet meer aan het werk hoef…”
“Mijn verstand zegt dat het over een maand wel weer anders kan voelen” vul ik het daarna vlug aan. De arts wacht geduldig tot ik mezelf weer onder controle heb en vraagt dan wat me zo aan het antwoord emotioneert. “Een jaar geleden had ik nooit gedacht dat ik dit nu al zou zeggen, de confrontatie met de progressie van Parkinson maakt me aan het huilen…”.
Het gesprek eindigt met vier weken thuis en dan opnieuw een afspraak voor het bepalen van de situatie op dat moment.

Een week later lees ik ‘s nachts rond een uur of vier datgene wat ik in het gesprek al gehoord had maar nu pas doordringt:

Prognose: ik verwacht blijvende beperkingen voor het eigen werk
In de probleemanalyse lees ik: 3 keer blijvende beperking en een keer niet weer volledig in eigen functie.

We zullen wel zien waar het schip strand.
Eerst dit maar even een plaats geven…
We must learn to rise above the past
Before we can at last
Begin again

… en dan opnieuw beginnen.
Voorlopig heb ik tijd om even wat grotere klussen in en om het huis aan te pakken. En zolang ga ik zeker niet nadenken over andere functies, intern of extern, terugverdiencapaciteit en meer van die zaken waar ik me goed voor kan afsluiten. Bovendien heb ik een werkgever waar ik vertrouwen in heb en een teamleidster die haar uiterste best doet om mij zolang mogelijk bij het team aan het werk te houden.

Dat zijn de mooie momenten als je merkt dat er van die mensen zijn die een hand uitsteken om je af en toe even weer de wal op te trekken als het ijs toch niet sterk genoeg is.

?>