Archief van
Categorie: Blog 2017

Flying high, falling low

Flying high, falling low

 

Met een doos onder de arm loop ik het huis uit. Ik ben tevreden over de aankoop. Een dik half uur heen rijden en dezelfde tijd terug heb ik er wel voor over. Het rijden in de regen geeft een extra dimensie aan het ‘Ein Deutsches Requiem’ van Brahms dat op vol volume uit de boxen klinkt.
Dramatisch, maar zo mooi.

Het bezoek gaat anders dan ik had verwacht. Naar aanleiding van een marktplaats advertentie heb ik een afspraak in Gramsbergen. Meestal is het een kwestie van zakendoen en wegwezen. Dit keer loopt het anders.
Er wordt bij het mooie, maar niet overdreven huis, opengedaan door een man in een duidelijk met zorg uitgekozen overhemd.
Hij lijkt net terug van zijn werk.
Een keurige en op het eerste gezicht sympathieke man, die in elk geval zo succesvol is dat er twee luxe auto’s op de oprit staan, doet open. Ik stel me voor en verifieer of dit het adres is waar ik moet zijn.
“Je werkt bij de brandweer? “ wordt me bij binnenkomst gevraagd.
Zoals vaak weet ik niet of ik deze mensen zou moeten kennen. Ik antwoord dan ook zonder direct heel duidelijk antwoord te geven.
“Dat klopt, kennen we elkaar ergens van?
“Nee hoor, maar ik heb je naam gegoogeld en vond wat informatie over je. Als ik iets via marktplaats verkoop check ik als het even kan wie de koper is”, volgt direct de verklaring.

Terwijl ik het voor mij onverwachts mooie interieur in me op neem ontwikkeld zich een gesprek over ziek zijn, geloof en genezing. De verkoper blijkt bij hetzelfde kerkgenootschap te horen waar ik tot tien jaar geleden ook lid van was. De zwarte wanden en deuren in de woning zijn mooier dan ik ooit had kunnen bedenken. Het nuanceert ook de gevoelens die ik over heb gehouden aan dat kerkgenootschap, zwart is niet bij voorbaat lelijk en bovendien waren er ook veel tijden met andere kleuren.
De aangeboden koffie, uiteraard zwart sla ik in dit geval niet af. Zittend aan de bar van het keukeneiland gaat het gesprek verder. Het gaat vooral over mij al besef ik me dat pas op de terugweg.
De vragen zijn oprecht geïnteresseerd maar maken ook duidelijk dat er niet veel meer dan de inleiding van mijn website is gelezen, vluchtig.
Het feit dat ik momenteel in de ziektewet zit komt ook aan de orde en vooral dat ik weer wat uren aan het werk ga.
Na ongeveer twintig minuten voel ik dat er in dit huis andere plannen zijn dan de hele avond naar mij te luisteren. Logisch.
De zoon van een jaar of acht schuift aan en laat zien wat hij te verkopen heeft.
Vader regelt de verkoop maar ik reken af bij zijn zoon.
Als ik hoor dat hij van zijn ouders een nieuwer en duurder exemplaar krijgt omdat ‘hij er aan toe is’ vraag ik me af of het geld bij hem terecht hoort te komen maar hij neemt de vijfendertig euro dankbaar aan.
Als ik na wat uitleg de hal in loop en de voordeur open doe zie ik nog net de vrouw des huizes van de trap naar beneden komen. Het voelt alsof ze daar heeft gewacht tot de onbekende koper weer vertrekt.

Op de terugweg luister ik het requiem verder terwijl de regendruppels nog steeds door de ruitenwissers links en rechts op straat worden gesmeten.

Het is al enkele maanden geleden dat ik me heb ziek gemeld nadat ik door het ijs was gezakt.
Vanaf dat moment heb ik niet meer gewerkt, tenminste niet bij mijn werkgever. Verder ben ik elke dag actief. Mijn vrouw verzucht wel eens “man, blijf toch even zitten…” waarop ik ja zeg en vervolgens weer verder ga met datgene waarmee ik bezig was. Een van de weinige bijwerkingen of klachten waarvan ik tot nu toe zichtbaar last heb. Niks doen is er dus niet bij voor mij ook al zou ik het willen.
De intentie van mijn leidinggevende, de bedrijfsarts en mij is nog steeds dat ik weer ga werken.
Zoveel en zo lang mogelijk, eventueel aangepast.
Toch is er in mijn toekomstverwachting iets veranderd. Eigenlijk hoeft het van mij niet meer. Ik wil wel maar het gaat me gewoon moeilijker af. Bovendien zijn mijn prioriteiten anders geworden.
Werken staat daarbij niet meer in de top vijf. Ik ben overigens realistisch genoeg om te weten dat het niet zo werkt en probeer ook zolang mogelijk in het arbeidsproces mee te doen.

Thuis gekomen uit Gramsbergen laat ik de drone van enkele tientjes zien aan mijn vrouw.
Na een korte blik waarin ze oprecht probeert geïnteresseerd te lijken zegt ze: ‘Dus dat is hem, mooi hoor! ‘
Waarschijnlijk vindt ze het net zo mooi als ik sommige van haar aankopen waarvan ik het nut en de noodzaak niet zie.

Uiteraard wil ik direct proberen te vliegen.
Zo moeilijk kan dat niet zijn, toch?
Voor ik het door heb crasht de drone met een klap tegen het meubilair.
Hij is niet direct kapot maar elke daaropvolgende crash levert blijvende schade op.
Soms niet zichtbaar, zeker niet voor degene die hem maar één keer of af en toe ziet.
Maar na een week bestel ik de eerste reserve onderdelen.
Opstijgen en daarna weer landen lijkt zo eenvoudig…
Maar hoe hoger en sneller de vlucht des te harder is de crash.

Het geeft mijn gevoel over re-integreren duidelijk weer.
Weer snel en hoog vliegen nadat ik enkele maanden eerder gecrasht ben lijkt logisch en tot voor kort haalbaar in mijn gedachten.
Maar de werkelijkheid is anders, harder.
Weer op therapeutische basis aan het werk voelt als het opnieuw leren vliegen.
En dan niet in de F-16 die ik gewend was maar, in een op afstand bestuurbaar exemplaar.
De vraag is of ik dat nog wil en of ik door steeds tegen van alles aan te vliegen elke keer opnieuw beschadigd wil worden.
Gelukkig heb ik mijn altijd nuchtere vriendinnetje die me voorhoudt dat ik het altijd leuk vond, dat ik het vast nog kan en dat het gewoon even wennen is.
Geen moed en geen zin hebben in het werk is niet alleen voorbehouden aan Parkinson patiënten.
Duidelijk wordt in de uren dat ik weer aanwezig ben dat terugkomen in mijn oude functie niet haalbaar is.
De bedrijfsarts krijgt gewoon gelijk met zijn conclusies waar ik toen niet in wilde geloven.
‘Ik voorzie blijvende beperkingen… terugkeer in de huidige functie niet haalbaar… opdrachten zonder deadlines in een prikkelarme omgeving….’
Toch zijn er ook van die momenten dat ik denk:”Zie je wel, ik kan het echt nog wel!” Dat is dan weer even genieten.

Van mijn gekochte drone heb ik de afstandsbediening in handen en kan ik bepalen hoe lang er nog gevlogen wordt en vooral hoe hoog en snel dit moet.
Voor mijn werk geldt dat ik zo wil vliegen dat ik, zonder al te vaak neer te storten, zo lang mogelijk in de lucht kan blijven.
Ik zit alleen niet als enige achter de joysticks. Toch heb ik vertrouwen in degene die samen met mij bepalen hoe, hoelang en tot wanneer er gevlogen wordt. Nadeel is dat de accu steeds sneller leeg is.

Net zoals sommige anderen om mij heen ben ik af en toe schijtziek van die k.. Parkinson vooral als de klachten eens wat erger zijn. Daarom heb ik voor mezelf ook reserve onderdelen besteld.

Voor degene die zich zorgen maken na dit verhaal… “Echt, het gaat goed met me! Echt!”
Het gaat in elk geval beter met mij dan met mijn drones.
De eerste heeft de ‘hersenoperatie’ van dokter Bernard al ondergaan nadat ik hem zo hardhandig uit de lucht heb laten komen dat hij stil bleef liggen.
Nog wel beeld (een paar knipperende led lampjes) maar geen geluid, helemaal stil. Dat zijn ook bij mij de vervelende momenten; als het niet meer gaat en het stil wordt.
Een slechte dag, dan niet kunnen slapen en tot vijf uur ‘s ochtends beneden zitten.

Een vriendin beschreef het erg mooi als volgt: ‘Onze angsten voor het onbekende komen meestal op momenten, dat het stil is om ons heen waardoor ons eigen geraas in ons hoofd en hart zo duidelijk hoorbaar wordt.

Maar zolang ik nog met plezier een drone kan laten vliegen én laten neerstorten gaat het goed genoeg met mij, ECHT!

En voor wat betreft de voor mij bestelde reserveonderdelen…

Die levertijd is helaas nog onduidelijk.

Lente ijs

Lente ijs

Ik huiver, een rilling trekt over mijn hele lichaam. Het is februari en winterkoud. Het is niet alleen de kou die me het kippenvel bezorgd. Vannacht heeft het weer stevig gevroren, de hele winter kwakkelt het al wat. Echt doorzetten wil het dit jaar niet, af en toe eens een beetje nachtvorst en wat natte sneeuw.
Dat is alles tot nu toe.
Ook vanmorgen is de wereld bedekt met een wit laagje stof en hangen er een glasachtig druppels in de bomen. Ondanks de matige winter heb ik het al koud genoeg gehad, vooral ’s morgens op de fiets. Meestal om een uur of zeven met handschoenen en sjaal en uiteraard een dikke winterjas aan. Het vervelende is dat je dan beschermd bent tegen de kou maar tijdens het fietsen het zweet op de rug hebt staan.
Toch ben ik elke morgen op tijd.

We zijn al twee uur bezig geweest en ondanks onze leeftijd kunnen we het niet laten. We hebben even tijd over, trekken onze jassen aan en gaan naar buiten. Er is een klein slootje in de buurt waar net voldoende ijs op ligt. De sloot is ongeveer een meter diep als je er in zou kunnen staan.IJs door de vorst van de afgelopen nachten voorkomt dat we de diepte kunnen controleren. De breedte van de sloot is zo groot dat niemand er zo overheen zou kunnen springen, twee stappen op het ijs îs minimaal nodig wil je naar de overkant.
En dan begint het grote uitdagen, wie heeft het meeste lef en wie uiteindelijk het meeste verstand. Wie wil zich tegen zijn gevoel in toch bewijzen tegenover de groep vrienden?
Het feit dat er wat vrouwelijk schoon toekijkt laat de hormonen het verstand soms doen oplossen als een ijsklontje in heet water. Ik ben niet zo’n branieschopper die direct als eerste wil maar ook niet zo verlegen om te wachten tot de laatste is geweest. Ik kijk welke risico’s ik loop en bepaal dan redelijk snel wat mijn kansen zijn om zonder kleerscheuren dit te overleven.
Tegen de tijd dat ik een aanloop neem om zo snel mogelijk over het ijs naar de overkant te komen zijn de eerste barsten al zichtbaar. De opmerking dat krakend ijs niet onveilig is geeft me niet veel meer vertrouwen. Zelf maak ik ook allerlei, vaak niet de meest intelligente, opmerkingen om de anderen te doordringen van het feit dat je er niet zomaar doorzakt.
Wel breng ik het erg overtuigend, dat heb ik in mijn leven alleen maar beter ontwikkeld. Soms ben ik zo overtuigend dat men het eigenwijs noemt, mijn reactie daarop is meestal dat het niet eigenwijs is maar dat ik gewoon meestal gelijk heb. Dat vinden ze dan weer arrogant. Zo vinden mensen altijd wat van je, en als je er niet bij bent meestal iets nog meer dan als in je nabijheid.
De eerste voet die het te dunne ijs raakt maakt alsof ik vleugels krijg. De ijsvloer zakt onder mij door en ik zie aan de randen van het ijs, direct aan de walkant, het water omhoog komen. Door mijn gewicht dat het ijs laat doorzakken kan het vloeibare water nergens anders heen. Elke keer als er weer iemand is geweest blijft er meer water op op het ijs staan wat de overtocht nog hachelijker maakt. Een luid gejuich stijgt op als de eerste scheuren zo ver zijn uitgebreid dat ijsvloer breekt in een aantal schotsen. Het maakt de onbezonnen acties nog riskanter.
Bij mijn beurt is het vrijwel onmogelijk om te voorkomen dat je er natte voeten aan overhoudt.
Nog een keer, neem ik mezelf voor. Met een forse aanloop stap ik op de grootste ijsschots die ik vooraf heb uitgekozen. Op het moment dat ik er op sta en me weer afzet voel ik me iets wegzakken en daardoor lukt het me niet om met voldoende kracht op de tweede geplande schots te landen.
In een splitsecond kies ik een andere stuk ijs uit dat wat dichter bij drijft. Dat gaat nog goed maar de afstand naar de overkant is net te groot. Met mijn linkervoet zak ik aan de rand van de sloot door het ijs. Nat tot halverwege mijn kuiten.
Achter mij hoor ik een het gekraak van ijs en het schuiven van schotsen als een van mijn klasgenoten niet verder dan de helft van de sloot komt. Het is inderdaad een meter diep.
Ik hoor een bel en besef me dat het uur om is en dat ik de rest van de dag met minstens een natte voet zal rondlopen. Eerst maar zoveel mogelijk water uit de schoen en de sok uitwringen. Verder zien we dan wel, even rustig aan en zorgen dat de spullen weer droog worden dan kan ik wel weer verder. Mijn klasgenoot heeft geen keus en is langer afwezig omdat hij naar huis moet om zich om te kleden.

Aan deze gebeurtenissen uit mijn middelbare schooltijd aan het Vondelpad in Groningen moest ik denken toen ik me enkele weken geleden ziek moest melden. Mijn dosis Levodopa moest omhoog omdat ik niet langer zo kon functioneren als ik wil. De vrijdag voor mijn verjaardag, op zondag, neem ik de eerste extra pil. Het hele weekend loop ik als gevolg van de verhoogde dosis met een vervelende tic in het gezicht. Het is dat mijn dochter ook haar elfde verjaardag viert op mijn geboortedag, anders zou ik alles af hebben gezegd. Ondanks de bijwerkingen waarvan ik hoop dat die langzamerhand zullen wegtrekken na het weekend weten we er toch feestelijk dagen van te maken.

Zondagnacht is weer zo een zonder slaap. Wandelen in het donker is me door zoveel mensen afgeraden dat ik gewoon de houtkachel weer aan steek. Mijn vrouw is daar overigens wat nuchterder in. ‘Zolang je de deur maar op slot draait als je weggaat!” was haar reactie.

Uren zit ik te staren in de steeds veranderende vlammen. De beroepsdeformatie laat me pyrolyse, de verschillende kleuren van de vlammen en de rook en het ontbranden van de rookgassen zien. Ik open nog net niet de kachel volgens de deurprocedure om de eerste straal in te zetten zodat ik de rookgassen kan koelen.
Wel of niet, toegeven of doorzetten, verstandig of dom, kletspoot of wachten tot ik er in het midden doorzak. Tegen half vijf in de ochtend heb ik mijn besluit genomen. Ik blijf voorlopig thuis, ik trek het niet meer op het werk en kan me nu terugtrekken met een natte schoen en sok. De druk wordt me te groot en dan moet je niet meer op het ijs komen. Maandagochtend meld ik me tegen de tijd dat ik weer wakker ben voor de komende week ziek. En die zondag daarna op advies van mijn vrouw en vrienden nog een week.

Dan zijn er veertien dagen om en is er weer een slapeloze nacht voor de werkweek begint.
Ik kan kiezen, of ik probeer nog een keer aan de andere wal te komen of ik blijf aan deze kant staan. Ik loop al een poosje op schotsen en heb al hulp gevraagd. Mijn concentratie is onvoldoende voor mijn werk. Ook al is het lente, als ik doorga zak ik volledig door het ijs en ben ik nog veel langer afwezig.

De confrontatie is overweldigend maar ik meld me voor langere tijd ziek. Direct vraag ik mijn teamleidster om een bezoek bij de Arbo arts te regelen.

Nadat ik mijn verhaal heb verteld is de vraag van de arts: “Wat zou je nu willen?” Mijn antwoord bestaat uit twee delen maak ik hem vooraf duidelijk. “Het eerste deel van mijn antwoord is wat ik nu voel en daarna zal ik antwoorden met mijn verstand”.
Tranen prikken me achter de ogen als ik duidelijk wil maken wat ik het liefste zou willen.
Ik wil niet in huilen uitbarsten maar het lukt me ook niet meer om te zeggen wat ik wil.
Troostend voel ik de hand op mijn knie zoals zo vaak bij doktoren als het lastig wordt.
Mijn vriendinnetje zit naast me!
Als ik de moed vind om uit te spreken waarvan ik nooit had gedacht dat dit nu al zou komen lopen de tranen me toch over de wangen. “Voor mijn gevoel heb ik het liefst dat ik wordt afgekeurd en niet meer aan het werk hoef…”
“Mijn verstand zegt dat het over een maand wel weer anders kan voelen” vul ik het daarna vlug aan. De arts wacht geduldig tot ik mezelf weer onder controle heb en vraagt dan wat me zo aan het antwoord emotioneert. “Een jaar geleden had ik nooit gedacht dat ik dit nu al zou zeggen, de confrontatie met de progressie van Parkinson maakt me aan het huilen…”.
Het gesprek eindigt met vier weken thuis en dan opnieuw een afspraak voor het bepalen van de situatie op dat moment.

Een week later lees ik ‘s nachts rond een uur of vier datgene wat ik in het gesprek al gehoord had maar nu pas doordringt:

Prognose: ik verwacht blijvende beperkingen voor het eigen werk
In de probleemanalyse lees ik: 3 keer blijvende beperking en een keer niet weer volledig in eigen functie.

We zullen wel zien waar het schip strand.
Eerst dit maar even een plaats geven…
We must learn to rise above the past
Before we can at last
Begin again

… en dan opnieuw beginnen.
Voorlopig heb ik tijd om even wat grotere klussen in en om het huis aan te pakken. En zolang ga ik zeker niet nadenken over andere functies, intern of extern, terugverdiencapaciteit en meer van die zaken waar ik me goed voor kan afsluiten. Bovendien heb ik een werkgever waar ik vertrouwen in heb en een teamleidster die haar uiterste best doet om mij zolang mogelijk bij het team aan het werk te houden.

Dat zijn de mooie momenten als je merkt dat er van die mensen zijn die een hand uitsteken om je af en toe even weer de wal op te trekken als het ijs toch niet sterk genoeg is.

Sun is shining

Sun is shining

“Ga toch naar huis, het is zo dichtbij” zegt ze tegen haar man. “Ach, het duurt maar even. Dáár gaat het niet om” antwoord hij. De vrouw van tegen de 65 jaar probeert zachtjes pratend hem te overtuigen maar ik kan wel zien dat dat geen zin heeft. Hij heeft zijn besluit genomen en gaat daar niet van afwijken ook al zit hij met dat humeur zijn vrouw in de weg.
Geïrriteerd kijkt hij haar aan. Ik schat hem ruim 65 jaar. De man is gekleed in wit overhemd met daaroverheen een blauw vest waarvan de rits tot de helft geopend is. Alles boven een lichtbruine corduroy broek. Op het enigszins zure gezicht staan een keurig verzorgde witte baard en snor. Op zijn borst hangt een leesbril die met een touwtje om zijn nek wordt vastgehouden. “Dáár gaat het niet om…” zegt hij nog eens. Waar het wel om gaat is het feit dat zijn vrouw niet op de afgesproken tijd aan de beurt is en hij zich daarom verplicht voelt te blijven wachten.
De vrouw blijft zachtjes op hem inpraten hoewel ze hem waarschijnlijk al jaren kent en weet dat dit geen zin heeft. Gekleed in een grijze trui kenmerkt ze haar persoonlijkheid. Naast haar stoel staat een kruk waarmee ze haar been ontlast door er op te leunen tijdens het lopen. Gips om haar linkerenkel. Ze heeft een bril en kijkt haar man met een smekende blik aan die tegelijkertijd ook het besef van zijn stijfkoppigheid uitstraalt. Na enkele minuten stokt het gesprek, zij heeft het opgegeven en hij blijft. Op het moment dat hij mij ziet kijken weet hij een kleine glimlach te forceren.

Routenummer 1.4 is weer eens wat anders dan de gele route nummer 6. En na route 1.4 mag ik gelijk route 0.7 volgen  Het heeft me in de wachtkamer gebracht van de afdeling Radiologie in het ziekenhuis in Groningen. Daarna mag ik naar de neurochirurg. Geen Parkinson vandaag maar een vervelende hernia die maar niet over wil gaan. Deze keer waren we ruim op tijd vertrokken. Gelukkig. Want na tien minuten onderweg te zijn besef ik me dat ik de medicijnen vergeten ben. Weer…
Een jaar geleden zou ik het een paar uur hebben uitgesteld. Tegenwoordig ga ik er voor terug.
Ik kan niet meer zonder, zeker geen uren meer. Voor mij is dat het bewijs dat de ziekte inderdaad progressief is. Niet dat ik daar ooit aan twijfelde maar de bevestiging op zich is een confrontatie. We hebben echter de tijd om terug te gaan en met wat meer snelheid dan toegestaan gaan we nogmaals richting de stad.

Bij de receptie laat ik eerst een pasje maken. Als ik voor de balie sta word ik door drie ogen aangekeken. Twee zie ik direct als ik de medewerker van het ziekenhuis aankijk en mijn gegevens doorgeef. Als ze de juiste personalia in haar computer heeft ingevoerd om het bewijs van toegang te kunnen maken vraagt ze me om iets naar beneden te kijken. Op de balie staat een bolletje op een stokje. Een camera op één poot. Als ik er naar kijk zoekt hij oogcontact. Hij draait omhoog en daarna weer iets naar beneden. “Zo, dat is weer klaar” zegt de receptioniste en geeft me even later een pasje waarop een overbelichte foto van mijn gezicht staat.
De zin hiervan ontgaat me maar met een foto waar je zelfs mijn buurman in zou kunnen herkennen is het nutteloos. Dat was dan de eerste onverwachte foto van vandaag.

We zitten intussen al even te wachten in de wachtkamer. Deze keer niet met mijn vrouw maar met een vriend. Toen ze aangaf deze keer eens over te slaan bood hij zich direct aan. Fijn is dat. Alleen is tenslotte maar alleen. Het gesprek van de man en vrouw tegenover me dat ik in de bijna stille wachtkamer kan horen boeit me. Intussen kijk ik rond in de, voor een ziekenhuis, mooie ruimte. Ongeveer 40 gekleurde houten stoelen staan in setjes van vijf over de ruimte verdeeld op een okergele vloer. Ik kijk aan tegen een witte wand waarop vlinders ronddartelen. Links van mij is de muur blauw en daartegenover hebben ze een roze wand gemaakt. Tussen de binnenkomende en vertrekkende mensen is ook een ongeveer 70 jarige man van hooguit 1 meter 65. Hij is duidelijk gewend geweest om zijn lengte te compenseren met zijn stem. Na de begroeting met “Goeiemorgen!”  zoals de meesten zachtjes doen, maakt hij tegen de man die met hem mee is de opmerking dat het aardig stil is. “Het zal wel komen door al die speeltjes van tegenwoordig” ondertussen een knikje met het hoofd richting mijn telefoon makend  waarop ik wat aantekeningen maak en een paar Whats app berichten verstuur.  “Volgens mij praat u veel en graag” zeg ik terwijl ik mijn telefoon even weg leg. Zijn begeleider kijkt me met een glimlach aan en zegt “klopt, er komt soms geen einde aan”. Ondertussen open ik mijn telefoon weer en wissel nog even wat woorden met de oudere man. Daarna gaat zijn gesprek verder met degene die hem bracht. Uit het gesprek maak ik op dat ze in hetzelfde gebouw wonen en dat de jongere man een buurman is. Noaberschap noemen we dat in het noorden. Het bestaat nog.

“ Meneer Wubbels” een jongeman staat op en gaat richting de verpleegkundige. Daarna worden met steeds enkele minuten ertussen meneer Kalk, mevrouw Dijkstra en mevrouw Boon opgeroepen. “Meneer Kwant?” Ik sta op en loop richting de gang waar ik wordt verwacht. Intussen moet het meezitten wil ik nog op tijd zijn bij de neurochirurg. Als ik op sokken en verder alleen een boxershort de kleedruimte uitkom zie ik tot mijn verbazing alleen een behandeltafel en een röntgenapparaat. Geen MRI dus.
Drie minuten later sta ik weer in de wachtkamer.
De tweede onverwachte foto vandaag.

Met een “Tot ziens” begeef ik me via route 0.7 naar de chirurg. De vriend die mee is dacht wel even tijd te hebben om ergens koffie te scoren. Met een appje stel ik hem op de hoogte en even later melden we ons precies op tijd bij de chirurg.

Het verhaal van de neurochirurg is duidelijk. Opereren, zes tot acht weken op de wachtlijst. “En u hebt Parkinson zie ik…” Gelukkig ziet hij het omschreven in mijn dossier en niet direct aan mijn uiterlijk of gedrag. In een ontspannen gesprek waarin veel gelachen wordt komt ook mijn neuroloog even ter sprake. “Bij hem ben je op de goede plek! Parkinson is zijn hobby!”. Dat kan ook nog, Parkinson als hobby hebben.
Mijn hobby is het in elk geval niet.

Twee weken later blijkt dat er een derde onverwachte foto is gemaakt. Op de terugweg toen we geen haast meer hadden. Het CJIB stelt ons per post hiervan op de hoogte.
Zonder dat ik er om gevraagd heb. Ik overweeg inmiddels om mijn lidmaatschap daar maar op te zeggen.

 

 

 

Enkele dagen geleden las ik het blog van Edwin van Dijk. Degene die me ruim een jaar geleden na wat mail contact het laatste zetje gaf om te gaan publiceren op internet. Hoewel zijn ziekte anders is zijn een aantal woorden heel herkenbaar.

Eigenwijs – aanvaarding – ‘hier’ – niet te ver vooruitkijken – genieten van wat het leven te bieden heeft!

Ook als je omstandigheden in minder positieve zin veranderen kun je nog altijd de zon zien.

 

Lees ‘Hoi Edwin’

?>