Archief van
Categorie: Blog 2017

Sun is shining

Sun is shining

“Ga toch naar huis, het is zo dichtbij” zegt ze tegen haar man. “Ach, het duurt maar even. Dáár gaat het niet om” antwoord hij. De vrouw van tegen de 65 jaar probeert zachtjes pratend hem te overtuigen maar ik kan wel zien dat dat geen zin heeft. Hij heeft zijn besluit genomen en gaat daar niet van afwijken ook al zit hij met dat humeur zijn vrouw in de weg.
Geïrriteerd kijkt hij haar aan. Ik schat hem ruim 65 jaar. De man is gekleed in wit overhemd met daaroverheen een blauw vest waarvan de rits tot de helft geopend is. Alles boven een lichtbruine corduroy broek. Op het enigszins zure gezicht staan een keurig verzorgde witte baard en snor. Op zijn borst hangt een leesbril die met een touwtje om zijn nek wordt vastgehouden. “Dáár gaat het niet om…” zegt hij nog eens. Waar het wel om gaat is het feit dat zijn vrouw niet op de afgesproken tijd aan de beurt is en hij zich daarom verplicht voelt te blijven wachten.
De vrouw blijft zachtjes op hem inpraten hoewel ze hem waarschijnlijk al jaren kent en weet dat dit geen zin heeft. Gekleed in een grijze trui kenmerkt ze haar persoonlijkheid. Naast haar stoel staat een kruk waarmee ze haar been ontlast door er op te leunen tijdens het lopen. Gips om haar linkerenkel. Ze heeft een bril en kijkt haar man met een smekende blik aan die tegelijkertijd ook het besef van zijn stijfkoppigheid uitstraalt. Na enkele minuten stokt het gesprek, zij heeft het opgegeven en hij blijft. Op het moment dat hij mij ziet kijken weet hij een kleine glimlach te forceren.

Routenummer 1.4 is weer eens wat anders dan de gele route nummer 6. En na route 1.4 mag ik gelijk route 0.7 volgen  Het heeft me in de wachtkamer gebracht van de afdeling Radiologie in het ziekenhuis in Groningen. Daarna mag ik naar de neurochirurg. Geen Parkinson vandaag maar een vervelende hernia die maar niet over wil gaan. Deze keer waren we ruim op tijd vertrokken. Gelukkig. Want na tien minuten onderweg te zijn besef ik me dat ik de medicijnen vergeten ben. Weer…
Een jaar geleden zou ik het een paar uur hebben uitgesteld. Tegenwoordig ga ik er voor terug.
Ik kan niet meer zonder, zeker geen uren meer. Voor mij is dat het bewijs dat de ziekte inderdaad progressief is. Niet dat ik daar ooit aan twijfelde maar de bevestiging op zich is een confrontatie. We hebben echter de tijd om terug te gaan en met wat meer snelheid dan toegestaan gaan we nogmaals richting de stad.

Bij de receptie laat ik eerst een pasje maken. Als ik voor de balie sta word ik door drie ogen aangekeken. Twee zie ik direct als ik de medewerker van het ziekenhuis aankijk en mijn gegevens doorgeef. Als ze de juiste personalia in haar computer heeft ingevoerd om het bewijs van toegang te kunnen maken vraagt ze me om iets naar beneden te kijken. Op de balie staat een bolletje op een stokje. Een camera op één poot. Als ik er naar kijk zoekt hij oogcontact. Hij draait omhoog en daarna weer iets naar beneden. “Zo, dat is weer klaar” zegt de receptioniste en geeft me even later een pasje waarop een overbelichte foto van mijn gezicht staat.
De zin hiervan ontgaat me maar met een foto waar je zelfs mijn buurman in zou kunnen herkennen is het nutteloos. Dat was dan de eerste onverwachte foto van vandaag.

We zitten intussen al even te wachten in de wachtkamer. Deze keer niet met mijn vrouw maar met een vriend. Toen ze aangaf deze keer eens over te slaan bood hij zich direct aan. Fijn is dat. Alleen is tenslotte maar alleen. Het gesprek van de man en vrouw tegenover me dat ik in de bijna stille wachtkamer kan horen boeit me. Intussen kijk ik rond in de, voor een ziekenhuis, mooie ruimte. Ongeveer 40 gekleurde houten stoelen staan in setjes van vijf over de ruimte verdeeld op een okergele vloer. Ik kijk aan tegen een witte wand waarop vlinders ronddartelen. Links van mij is de muur blauw en daartegenover hebben ze een roze wand gemaakt. Tussen de binnenkomende en vertrekkende mensen is ook een ongeveer 70 jarige man van hooguit 1 meter 65. Hij is duidelijk gewend geweest om zijn lengte te compenseren met zijn stem. Na de begroeting met “Goeiemorgen!”  zoals de meesten zachtjes doen, maakt hij tegen de man die met hem mee is de opmerking dat het aardig stil is. “Het zal wel komen door al die speeltjes van tegenwoordig” ondertussen een knikje met het hoofd richting mijn telefoon makend  waarop ik wat aantekeningen maak en een paar Whats app berichten verstuur.  “Volgens mij praat u veel en graag” zeg ik terwijl ik mijn telefoon even weg leg. Zijn begeleider kijkt me met een glimlach aan en zegt “klopt, er komt soms geen einde aan”. Ondertussen open ik mijn telefoon weer en wissel nog even wat woorden met de oudere man. Daarna gaat zijn gesprek verder met degene die hem bracht. Uit het gesprek maak ik op dat ze in hetzelfde gebouw wonen en dat de jongere man een buurman is. Noaberschap noemen we dat in het noorden. Het bestaat nog.

“ Meneer Wubbels” een jongeman staat op en gaat richting de verpleegkundige. Daarna worden met steeds enkele minuten ertussen meneer Kalk, mevrouw Dijkstra en mevrouw Boon opgeroepen. “Meneer Kwant?” Ik sta op en loop richting de gang waar ik wordt verwacht. Intussen moet het meezitten wil ik nog op tijd zijn bij de neurochirurg. Als ik op sokken en verder alleen een boxershort de kleedruimte uitkom zie ik tot mijn verbazing alleen een behandeltafel en een röntgenapparaat. Geen MRI dus.
Drie minuten later sta ik weer in de wachtkamer.
De tweede onverwachte foto vandaag.

Met een “Tot ziens” begeef ik me via route 0.7 naar de chirurg. De vriend die mee is dacht wel even tijd te hebben om ergens koffie te scoren. Met een appje stel ik hem op de hoogte en even later melden we ons precies op tijd bij de chirurg.

Het verhaal van de neurochirurg is duidelijk. Opereren, zes tot acht weken op de wachtlijst. “En u hebt Parkinson zie ik…” Gelukkig ziet hij het omschreven in mijn dossier en niet direct aan mijn uiterlijk of gedrag. In een ontspannen gesprek waarin veel gelachen wordt komt ook mijn neuroloog even ter sprake. “Bij hem ben je op de goede plek! Parkinson is zijn hobby!”. Dat kan ook nog, Parkinson als hobby hebben.
Mijn hobby is het in elk geval niet.

Twee weken later blijkt dat er een derde onverwachte foto is gemaakt. Op de terugweg toen we geen haast meer hadden. Het CJIB stelt ons per post hiervan op de hoogte.
Zonder dat ik er om gevraagd heb. Ik overweeg inmiddels om mijn lidmaatschap daar maar op te zeggen.

 

 

 

Enkele dagen geleden las ik het blog van Edwin van Dijk. Degene die me ruim een jaar geleden na wat mail contact het laatste zetje gaf om te gaan publiceren op internet. Hoewel zijn ziekte anders is zijn een aantal woorden heel herkenbaar.

Eigenwijs – aanvaarding – ‘hier’ – niet te ver vooruitkijken – genieten van wat het leven te bieden heeft!

Ook als je omstandigheden in minder positieve zin veranderen kun je nog altijd de zon zien.

 

Lees ‘Hoi Edwin’

Qui habet aures

Qui habet aures

Plotseling slaat mijn hart over.
Niet nu!
Ik loop in het donker over straat zonder dat iemand het weet. Ik hoor nog niks omdat ik oortjes in heb en luister naar ‘Laat me schreeuwen naar de hemel, de longen uit mijn lijf’.
Maar rechts van mij zie ik naast mijn eigen schaduw een andere schaduw snel van achter dichterbij komen. Bijna begin ik de longen echt uit mijn lijf te schreeuwen. Een dikke winterjas aan en een capuchon op die tot voor mijn gezicht uitsteekt moeten me beschermen tegen de kou. Mijn zicht is daardoor helaas net zo beperkt als bij een paard met oogkleppen. Mijn adem stokt en in een splitsecond draai ik me om. Ik wil mijn belager recht in de ogen kijken als hij iets wil.

Tien minuten eerder ben ik van huis gegaan. Het is nog vroeg. Deze woensdag in elk geval. De dag is nog maar een half uurtje bezig. Om te voorkomen dat ik met mijn gedraai, gezucht en het stellen van intelligente vragen als ‘ben je nog wakker?’ mijn vrouw weer een korte nachtrust bezorgd heb ik gezegd dat ik nog even beneden blijf.
Ik moet ook inderdaad de presentatie voor over een paar weken nog afmaken. Het Parkinson Café heeft me gevraagd te spreken over het boek ‘Maar als het donker wordt’. Om contact te hebben met lotgenoten die al veel verder in het ziektestadium zijn is iets wat ik niet op zoek. Het beangstigd me zelfs. In de toekomst kijken maakt me soms bang.
Dus ik heb ja gezegd.
Logica van de bovenste plank.

Ik zit wel even achter de laptop maar kom niet verder dan te bekijken wat ik al heb. Ik stuur nog een appje naar mijn vrouw die net op bed ligt. Dan besef ik me dat ik haar zelfs nu wakker houd. Ik stop er gelijk mee, ze heeft haar rust nodig maar even later lopen de tranen me over de wangen. Ik ben zo onrustig in mijn hoofd en voel me alleen. Verdriet neemt de overhand en veroorzaakt een waterval. Er is te veel losgemaakt in de afgelopen dagen. Soms lopen dingen niet zoals je wilt of als je had gewild. Herinneringen bezorgen je soms spijt en laten de machteloosheid van toen herleven. Ook al is het half één ‘s nachts, het weerhoudt me er niet van om mijn wandelschoenen aan te trekken en mijn oortelefoons en jas er ook maar vast bij te zoeken.

Ik draai me in een soepele beweging half om zodat ik mijn achtervolger in elk geval kan zien.
Er is te weinig tijd om bang te zijn maar voldoende tijd om mijn ademhaling te laten jagen en mijn hart te laten twijfelen tussen op hol slaan of af en toe niks te doen.
En dan zie ik… niemand. Ik kijk nog eens goed. Een paar seconden geleden leek het alsof die persoon echt bijna al op mijn nek zat.
Verbaasd besluit ik verder te lopen en dan zie ik wat er gebeurt. Langs het fietspad dat parallel aan de weg loopt staat om de vijftig meter een lantaarnpaal. Zodra ik een lantaarnpaal nader komt er een schaduw achter mij bij. Afhankelijk van de afstand gaan ze langzamer of sneller.
Ter hoogte van de lantaarnpaal staat mijn schaduw er recht tegenover en zodra ik doorloop wordt ik er door ingehaald. Daarna vervaagt de schaduw en verdwijnt in het niks. Zonder dat ik het zie ontstaat er achter mij weer een nieuw evenbeeld in het zwart, eerst vaag om daarna steeds duidelijker te worden en ook mij in te halen. De snelheid waarmee dit gebeurt hangt af van mijn eigen tempo.

Geschrokken maar ook opgelucht loop ik verder. Het tempo blijft hoog alsof er alsnog echt iemand uit de bosjes kan komen springen. Vaker dan anders kijk ik achterom en onder het lopen verwijder ik één oortelefoontje om het omgevingsgeluid weer wat te horen. Het geeft een iets rustiger gevoel.
Terwijl ik naar de mist over de landerijen kijk begint het nummer van Stef Bos en Matthijn Buwalda ‘Lichtjes in de mist’.
“De mist van het mysterie is het mooiste in het dal, de kern is onbereikbaar en toch is ze overal. Onbereikbaar… dichtbij… mij.

In het donker zie ik de flat waar mijn vrouw nog een poosje gewoond heeft. Herinneringen aan de tijd dat ik haar leerde kennen komen boven terwijl Stef Bos zachtjes in mijn ene oor zingt en ik zachtjes meezing.
Ik heb je lief
Ik heb je liever
Liever dan mijn leven
Dan om het even wat
Ik heb je lief
Ik heb je liever
Liever liefste
Elke dag

Wat ik ook wil zeggen
Jij krijgt mijn woorden klein
Was ik maar een dichter
Dan kon ik dichter bij jou zijn
Was ik maar het bloed
Dat door jouw lichaam stroomt
Dan sliep ik in jouw hart
En woonde in jouw hoofd

Langzaam zakt er weer een traan naar beneden als ik ver bij haar vandaan steeds harder begin te zingen ‘Was ik maar een dichter, dan kon ik dichter bij je zijn’.
Ik besluit de route wat uit te breiden om nog een plekje uit ons gezamenlijk geheugen te bezoeken. Het oude hek is intussen vervangen door een glanzend nieuw driedelig hek. Het lijkt niet meer op toen. Zoals zoveel. Behalve onze gevoelens voor elkaar, dat lijkt gelukkig nog steeds op die tijd.
Als ik verder loop zie ik plotseling dat de maan door de kale bomen schijnt en dat dit een prachtig gezicht is. Met de camera van de telefoon maak ik een aantal opnames van de volle maan door de takken. Ze worden lang niet zo mooi als de werkelijkheid maar zijn goed genoeg om de herinnering levend te houden.
Nog een kwartiertje en dan ben ik thuis als ik zo doorloop. Het wandelen en de schoonheid van de maan hebben me rust in het hoofd gegeven. De laatste kilometers gebruik ik om zachtjes te bidden voor iedereen om mij heen maar met hartstocht voor mijn vrouw en alle vijf de kinderen. Vlak bij huis kijk ik bij mijn schoonouders door het raam naar binnen. Het licht brandt en mijn schoonvader zit om half twee ‘s nachts de krant te lezen. Net terug van het werk waarschijnlijk. Ik loop snel voorbij. Ze gaan zich alleen maar meer zorgen maken als ze weten dat ik ‘s nachts langs de straat zwalk
Na een uurtje lopen ben ik met een redelijk leeg hoofd thuis. In plaats van naar bed te gaan om half twee ‘s nacht start ik de laptop op en ga gelijk schrijven.
na vijftien minuten type ik zoveel fout dat ik me besef dat ik af en toe bijna in slaap val. Ik begin wat steekwoorden te typen zodat ik de gedachte van deze nacht kan vasthouden.
Zittend wordt ik 5 minuten later wakker, ik ben in slaap gevallen. Met enige moeite type ik de laatste woorden en ga dan twee trappen op naar boven.
Mijn vrouw merkt niks van mijn komst in ons bed.

De volgende morgen laat ik haar het concept lezen van dit verhaal. Ze zegt een paar minuten niks maar kijkt me verbaasd aan zonder te weten wat ze moet zeggen.
Uiteindelijk zegt ze: “Dus vanaf nu weet ik niet meer of je thuis bent als je ‘s avonds blijft zitten?”

Ik ontken niet dat het nog vaker zal gebeuren. Het was, afgezien van het begin, niet vervelend. Eerlijk gezegd was het best fijn.

De volgende morgen lees ik de gedachte die ik tijdens het in slaap vallen achter de laptop nog genoteerd had.

Soms word je achtervolgd door je eigen schaduw die je kan herinneren aan vroeger.

Die morgen zag ik inderdaad meer overeenkomsten of met andere woorden, een gelijkenis.

Iedereen heeft wel zaken uit het verleden die je achteraf zo graag anders had gedaan. Ook ik hoor daarbij. Hoeveel spijt je soms ook hebt, de tijd is niet terug te draaien. Meestal zijn die gedachten, net als je schaduw tijdens het lopen, achter je. Je ziet het niet maar die schaduw zit onlosmakelijk aan minstens een voet verbonden, de voet die de grond raakt. Helemaal ervan loskomen lukt dus nooit. Af en toe springen maakt je wel vrij maar slechts voor de periode die je kunt zweven. Af en toe, als iemand een licht over dat verleden laat schijnen ontstaat die schaduw duidelijker en duidelijker. Terwijl je doorwandeld in het leven voel je dan opeens de hete adem van die schaduw in je nek hijgen.

Excuses en vergeving vragen kunnen in elk geval het licht doen doven dat de schaduw weer zichtbaar maakt. Zoals ik ervaren heb met mijn blogs en boek reageren mensen zoals ik ook naar hun communiceer. Openheid en kwetsbaarheid is wat ik geef en wat ik vaak ook terug krijg. 

Om met Stef Bos te spreken in zijn liedje ‘Dingen gedaan’:
En ik weet nu: wat je geeft, is dat wat je krijgt
Het heeft weinig zin de tijd terug te draaien
al het is goed om te zien waar het fout is gegaan, om verder te gaan.

Qui habet aures audiendi audiat

?>